Auteur

Niet intelligent of op de payroll?

Waarom complementaire geneeskunde steeds vaker de “tweede bril” wordt — en waarom dat rationeler is dan het mediabeeld suggereert

Wie het debat volgt, ziet twee karikaturen. De eerste: de complementaire patiënt als naïeve goedgelovige. De tweede: de complementaire behandelaar als handige verkoper. Maar als je de cijfers en de wetenschap erbij pakt, ontstaat een veel ongemakkelijker conclusie voor het cliché: complementaire zorg is juist relatief populair bij mensen die gemiddeld hoger opgeleid zijn—en die keuze komt vaak voort uit een rationele zoektocht naar aanvullende oplossingen, niet uit anti-wetenschap.

Dat is precies waarom het mediakader (“dom”, “kwakzalverij”, “gevaarlijk”) steeds minder past bij wat er in de praktijk gebeurt.

1) De trend is echt: hoger opgeleiden gebruiken complementaire zorg bovengemiddeld

In Europa is dit patroon meerdere keren gevonden met data uit de European Social Survey. Een grote analyse (ESS Round 7, 21 landen) keek naar verschillende CAM-modaliteiten (manual therapies, alternatieve systemen, Aziatische tradities, mind–body) en rapporteerde sociodemografische determinanten, waaronder opleiding. (PMC)

Ook Nederlandse analyses rond huisartsen die complementaire stromingen aanbieden, beschrijven dat hun patiëntpopulatie tendentieel vaker hoger opgeleid is, en vaker met chronische of langdurige klachten komt. (Cochrane Library)

Dat is een belangrijk signaal: als hoogopgeleiden (gemiddeld) vaker complementair kiezen, is de simpele verklaring “niet intelligent” onvoldoende. Een plausibeler verklaring is dat deze groep vaker:

  • informatie vergelijkt en combineert,
  • chronische klachten wil aanpakken met meerdere sporen,
  • meer waarde hecht aan coaching, leefstijl, stressregulatie en tijd/communicatie in de behandelrelatie.

2) Het sterkste punt vóór complementair is niet “tegen regulier”, maar: het vult echte gaten op

Bij chronische klachten is het grootste probleem vaak niet dat regulier “slecht” is, maar dat veel klachten multifactorieel zijn (pijn, vermoeidheid, stress, slaap, metabole ontregeling). Dan krijg je in de reguliere zorg logischerwijs:

  • korte consulten,
  • protocollen die op gemiddelden mikken,
  • symptoomreductie als prioriteit,
  • en minder ruimte voor leefstijl, gedrag, zingeving, stressfysiologie en langdurige begeleiding.

Complementaire geneeskunde is juist sterk in dat domein: het is vaak procesgericht, intensiever, en richt zich op leefstijl, coping, herstelgedrag, voeding, beweging, ontspanning en betekenisgeving. En opvallend genoeg: een deel van deze interventies is tegenwoordig gewoon stevig onderzocht.

Voorbeelden waar “complementair” niet gelijk is aan “evidence-loos”

  • Acupunctuur bij chronische pijn: individuele patiëntdata meta-analyses (tienduizenden patiënten) laten een meetbaar effect zien bij o.a. rug/nekpijn, artrose en hoofdpijn; en een update concludeert dat het effect niet volledig als placebo te verklaren is. (PubMed)
  • Mindfulness/MBSR bij lage rugpijn: meta-analyses vinden (voorzichtig) positieve korte-termijneffecten op pijnintensiteit en functioneren, met de kanttekening dat meer en betere vergelijkende trials nodig zijn. (PubMed)
  • Beweging/exercise bij chronische lage rugpijn: Cochrane vindt matige zekerheid dat exercise waarschijnlijk helpt voor pijn (effect klein, maar consistent). (Cochrane Library)

Dit zijn geen “esoterische randverschijnselen”. Dit zijn precies de bouwstenen die in integratieve trajecten vaak samenkomen: pijneducatie, beweging, stressreductie, slaapoptimalisatie, voeding en herstelgedrag.

3) De “11%-claim” wordt vaak verkeerd gebruikt — maar de kern is wél explosief

Je hoort: “maar 11% van reguliere behandelingen is wetenschappelijk onderbouwd.” Dat klopt niet letterlijk. Maar er zit een pijnlijk waar punt onder: een groot deel van de medische praktijk heeft (historisch) minder hard bewijs dan het publiek denkt.

Een vaak geciteerde samenvatting (BMJ Clinical Evidence, aangehaald in BMJ Open) beschrijft dat van ongeveer 3000 beoordeelde behandelingen:

  • 50% als “insufficient evidence” werd gecategoriseerd,
  • 11% als “clearly beneficial” (met daarnaast o.a. “likely beneficial” en “trade-offs”). (bmjopen.bmj.com)

Belangrijk: dit betekent niet dat “de rest onzin is”. Het betekent wél dat onzekerheid in geneeskunde normaal is, en dat bewijs zich doorlopend ontwikkelt.

Daar komt nog iets bij: onderzoek naar zogeheten medical reversals (praktijken die ooit standaard waren maar later in RCT’s niet beter bleken dan een eerdere/lichtere standaard) laat zien dat zelfs in topjournals zulke terugdraaiingen voorkomen. (PMC)

Waarom dit pro-complementair uitpakt: als regulier zélf deels met onzekerheid leeft, is het niet vreemd dat patiënten aanvullend zoeken—zeker wanneer klachten chronisch zijn en “standaard” beperkte verlichting geeft.

4) “Veel medicijnen komen uit de natuur” — en dat is precies het brugargument

De tegenstelling “natuurlijk vs farmaceutisch” is in de geschiedenis van geneesmiddelenontwikkeling simpelweg onwaar. Natuurlijke producten en hun afgeleiden zijn decennialang cruciale bronnen geweest voor nieuwe geneesmiddelen en ‘lead compounds’. (American Chemical Society)

Voor antibiotica is het nog concreter: reviews beschrijven hoe groot de bijdrage is van Streptomyces en aanverwante actinomyceten aan antibiotica-ontwikkeling (met uitspraken als “80%” in een review in Brazilian Journal of Infectious Diseases). (ScienceDirect)

En ja: biodiversiteit (waaronder tropische ecosystemen) wordt in natural-product drug discovery vaak genoemd als “chemische bibliotheek” voor nieuwe structuren. (American Chemical Society)

De echte conclusie is pro-integratief: moderne geneeskunde is al deels “complementair” in haar oorsprong. De scheidslijn is cultureel en economisch, niet puur wetenschappelijk.

5) Placebo en nocebo: het effect dat niemand kan uitsluiten (en dat complementaire zorg vaak slimmer benut)

Hier wordt het spannend: placebo/nocebo is geen “truc”, maar een aantoonbaar fenomeen dat in alle zorg meespeelt—dus óók in de reguliere geneeskunde.

Een sterke illustratie komt uit een systematische review en meta-analyse in JAMA Network Open: in COVID-19-vaccin RCT’s ervoer 35% van de placebo-ontvangers systemische bijwerkingen na dosis 1 en 32% na dosis 2. De overlap/nocebo-respons werd berekend als 76% van de systemische bijwerkingen na dosis 1 en 52% na dosis 2. (JAMA Network)

Een umbrella review vat bovendien samen dat placebo- en nocebo-effecten breed voorkomen, met variabele grootte en verschillende mechanismen. (PubMed)

Waarom dit complementaire zorg in de kaart speelt: complementaire trajecten investeren vaak meer in:

  • verwachtingsmanagement,
  • uitleg en betekenisgeving,
  • therapeutische relatie,
  • en gedrag/ritme/rituelen die herstel ondersteunen.

Dat is niet “inbeelding”. Dat is het beïnvloeden van een reële biopsychosociale component van klachten—mits eerlijk en zonder misleiding.

6) “De media is tegen”: misschien geen complot, wel een structureel probleem

De vraag “wie betaalt de rekening?” klinkt aantrekkelijk, maar zonder bewijs is het een doodlopende weg. Het echte probleem is eenvoudiger én zichtbaarder: polarisatie verkoopt. Een genuanceerd verhaal (“sommige complementaire interventies hebben bewijs, andere niet; veiligheid en interacties zijn cruciaal; effectgroottes verschillen; subgroepen tellen”) is minder klikbaar dan conflict.

En precies daar wordt complementaire geneeskunde vaak onrecht aangedaan: alles wordt op één hoop gegooid. Acupunctuur en homeopathie in één kop. Mindfulness en magisch denken in één frame. Terwijl de wetenschappelijke status per interventie enorm verschilt.

7) Wat is dan de volwassen route? Normaliseren — met harde spelregels

Als je complementaire geneeskunde écht vooruit wilt helpen, is de boodschap niet: “alles is goed.” De boodschap is: maak het normaal, maar maak het ook volwassen:

  1. Regulier blijft de basis voor diagnose, rode vlaggen en acute/ernstige aandoeningen.
  2. Complementair is aanvullend: gericht op herstel, leefstijl, symptoomlast en kwaliteit van leven.
  3. Evidence waar mogelijk, veiligheid altijd (interacties, contra-indicaties, realistische claims).
  4. Meetbaarheid: doelen vooraf (slaap, pijn, functioneren, stress, labs waar relevant) en evaluatie.
  5. Scheid de stromingen: geef ruimte aan interventies met data, wees streng voor interventies zonder plausibiliteit of met misleidende claims.

Dit is ook de richting die de WHO in haar (draft) strategie benadrukt: beslissingen rond traditionele/complementaire interventies moeten gebaseerd zijn op het best beschikbare bewijs van veiligheid en effectiviteit. (WHO Apps)

Slot: sterker pro-complementair, juist door kritisch te blijven

Complementaire geneeskunde groeit niet omdat mensen dommer worden, maar omdat de vraag verandert: meer chronische klachten, meer behoefte aan regie, en meer besef dat gezondheid niet alleen een recept is maar ook gedrag, leefstijl, stressfysiologie en herstel.

De echte uitdaging is niet om “gelijk te krijgen”, maar om het veld te professionaliseren: evidence-based waar het kan, eerlijk waar het moet, en altijd veilig. Dan wordt “regulier + complementair” niet een strijd, maar een logische standaard.

Wat zegt Chatgpt?

Berichtnavigatie


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *